Skriebels

Oude Wijsheden voor een Nieuwe Tijd - Zoeken

Aswoensdag

Op 't voorhoofd heeft men mij getekend,
in asse Gods kruis
opdat ik nimmer zou vergeten
in 't stof der aarde hoor ik thuis.

Aswoensdag

Op de eerste dag van de Veertigdagentijd halen we traditioneel een 'askruisje' op het voorhoofd, teken van inkeer, bezinning en het besef: ik ben maar een mens.

Aswoensdag drukt de ernst uit, de broosheid van ons bestaan en nodigt ons uit om tot inkeer te komen en onszelf weer terug te vinden in onze verhouding tot God, de medemensen en de wereld, om als een nieuw mens met Pasen te verrijzen.

Het vasten is méér dan zich onthouden van vlees en drank: het is een zich vrij maken voor God, het zich richten op het essentiële. Vandaar ook de meer actuele benaming: de Veertigdagentijd.

De benaming Aswoensdag vindt zijn origine in de praktijk van de openbare boete. Het dragen van een boetekleed en het zich met as bestrooien bestond reeds in het Oude Testament en was zelfs in het heidendom bekend (Rome) als uitdrukking van droefheid, vergankelijkheid, boete, bekering en vernieuwing.

In de tiende eeuw ging de praktijk van openbare boete verloren en werd de asoplegging voor alle gelovigen algemeen.

As heeft de kracht om te reinigen. Nog steeds worden op de velden de stoppels van het graan verbrand omdat as de grond vruchtbaar maakt.

Het oudst bekende gebed voor de wijding van de as dateert uit de elfde eeuw. Het gebruik om de as te vervaardigen uit de verbrande palmtakjes van het vorige jaar stamt uit de twaalfde eeuw.

Volgende formules worden gebruikt bij de asoplegging:

Stof ben je, tot stof keer je terug. (Genesis 3, 19)

of

De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws. (Marcus 1, 15)